Het doel van The Fact Club is het publieke debat voeden met feiten. Dit fact report brengt de situatie op de Nederlandse arbeidsmarkt in kaart.
De arbeidsmarkt is al jaren onderwerp van debat. Moet het ontslagrecht worden aangepast? Komen ouderen nog wel aan een baan? Wat gaat er veranderen door de vergrijzing? Belangrijke vragen die alleen maar beantwoord kunnen worden als de feiten in kaart zijn gebracht.
Het startpunt van dit fact report is de bevolkingsontwikkeling. Blijft de bevolking groeien en hoe verandert de verhouding tussen de verschillende leeftijdsgroepen? Vervolgens laten we zien welk deel van de bevolking wel en welk deel niet werkt. We zoomen in op beide groepen, te beginnen met de mensen die niet werken. Hoeveel mensen zijn dit en waarom werken ze niet? Daarna kijken we naar de groep mensen die wel werkt. Zijn er de afgelopen 50 jaar meer mensen gaan werken? Werken zij vol- of deeltijd? Is hier verschil te zien tussen mannen en vrouwen? In welke sectoren zijn deze mensen actief en op basis van welke arbeidsrelatie? Hoe lang bekleden mensen dezelfde baan? Het fact report wordt afgesloten met reacties van Mathijs Bouman (columnist Het Financieele Dagblad), Jurriaan Pröpper (auteur Een (on)gemakkelijke keuze), Jules Theeuwes (wetenschappelijk directeur SEO) en Martijn Lampert (research director Motivaction).
Handleiding
Aan iedere grafiek is veel werk voorafgegaan: er zijn gegevens verzameld, geanalyseerd en er zijn keuzes gemaakt in wat we laten zien. Hierover leest u in door op de knop ‘verantwoording’ rechts in uw scherm te klikken. Hier staat per grafiek beschreven waarom we deze hebben gemaakt. Ook vindt u er definities en een overzicht van de gebruikte bronnen. De verantwoording is een onmisbaar onderdeel van het fact report.
Bijna alle grafieken zijn interactief. Dat wil zeggen dat u het jaartal (in het gele vakje onder de grafiek) kunt verslepen. Hierdoor past alle informatie zich aan aan het betreffende jaar.
Het fact report is opgebouwd uit vijf delen. U leest het fact report door van boven naar beneden te scrollen of te sliden. Met de knoppen links in uw scherm navigeert u snel van het ene deel in het fact report naar het andere. De teksten in de gele vlakken markeren een overgang naar het volgende gedeelte in het fact report.

Wat vindt u de meest opvallende informatie uit het fact report? Het valt mij op dat 77% van de werkzame beroepsbevolking een vast contract heeft en 40,7% langer dan 10 jaar dezelfde baan heeft.
Wat moet er volgens u gebeuren? Aan de informatie uit het fact report is te zien dat de flexibilisering en mobilisering van de Nederlandse beroepsbevolking blijkbaar pas net is begonnen. Markten en bedrijven veranderen snel, het aanpassingstempo van de arbeidsmarkt moet daarom structureel omhoog.

Wat vindt u de meest opvallende informatie uit het fact report? De cijfers in het fact report geven in eerste instantie een mooi en rooskleurig beeld van de situatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Zo is ons officiële werkloosheidscijfer laag, de arbeidsparticipatie (heel) hoog en het per capita BBP sterk in vergelijking met veel andere landen. Duiken we iets dieper in de cijfers dan is een nuancering van dit rooskleurige beeld op zijn plaats. De arbeidsparticipatie is weliswaar hoog, 75%, maar Nederland werkt voornamelijk part time. Dat geldt niet alleen voor vrouwen, maar ook het percentage deeltijdwerk van mannen is fors vergeleken met andere landen. En hoewel ons werkloosheidscijfer laag is, staan er nog altijd veel mensen ‘aan de kant’. Het aantal arbeidsongeschikten is opvallend, maar ook de groep mensen dat wel wil werken, maar niet actief op zoek is dan wel direct beschikbaar is, is groot. In omvang bijna net zo groot als de groep officieel werklozen. Kortom nog veel arbeidspotentieel blijft onbenut. Ook het BBP per hoofd van de bevolking verdient nuancering. Internationaal gezien scoren we goed. De vraag is, zijn we nu echt zo productief of geeft het cijfer een vertekend beeld? Omdat we de minder productieven uit het arbeidsproces gehaald hebben, wordt het cijfer bepaald op basis van de meest productieven.
Wat moet er volgens u gebeuren? De Nederlandse samenleving staat op een tweesprong. In de komende decennia zal de potentiële beroepsbevolking fors dalen. Dat hoeft geen probleem te zijn. Een kleinere arbeidsmarkt met minder mensen die werken, betekent nog niet dat Nederland minder welvarend wordt. Welvaart hangt niet af van de omvang van een land. Nederland is op dit moment net zo welvarend als Duitsland. Nederland kan er voor kiezen om de krimp van de potentiële beroepsbevolking te volgen. In dat geval moeten onze keuzes wat betreft arbeidsparticipatie en uren werken niet worden aangepast en moet de decennialange trend om minder uren per week te gaan werken en eerder met pensioen te gaan, niet worden teruggedraaid.
De andere keuze is om in te gaan tegen de daling van de potentiële beroepsbevolking door er voor te kiezen om meer uren per week te gaan werken (minder deeltijd) en door de pensioenleeftijd op te schuiven. Dit heeft als voordeel dat het draagvlak van de economie breed blijft zodat het straks makkelijker wordt om de pensioenen en de zorgkosten te financieren. De moeilijke discussies rondom het pensioenakkoord in de SER en rondom het wegwerken van het overheidstekort in de Tweede Kamer maakt duidelijk dat dit geen makkelijke keuze is. Temeer omdat het een beslissing is die ingaat tegen de uitgesproken voorkeur van de Nederlanders voor meer vrije tijd en minder werken.

Wat vindt u de meest opvallende informatie uit het fact report? Het valt mij op dat de arbeidsmobiliteit op een laag niveau zit, 40% van de werknemers zit tien jaar of langer bij dezelfde baas. De crisis en vergrijzing leiden tot afname i.p.v. toename van de gewenste dynamiek op de arbeidsmarkt. Verder valt het mij op dat slechts 40% van ons arbeidspotentieel daadwerkelijk gebruikt wordt.
Wat moet er volgens u gebeuren? Vanwege de vergrijzing is betere benutting van ons arbeidspotentieel door hervormingen een absolute noodzaak. Werkgevers kunnen gestimuleerd worden om meer mensen aan te nemen door belastingen te verlagen en werkgevers minder op te zadelen met allerlei plichten. Het huidige systeem vergroot de verschillen tussen flex en vast werk, en wel/niet werkend. Maar ook werken moet aantrekkelijker worden gemaakt. Er moet een einde komen aan de armoedeval bij de overstap van een uitkering naar betaald werk. Toeslagen en subsidies moeten zo worden ingericht dat meer werken altijd loont. Dit kan door de verschillende aftrekposten en toeslagen te vervangen door iets hogere uitkeringen én vooral lagere loonbelastingen voor een oplopende bottom line. Iemand die tot half modaal verdient hoeft op deze manier geen loonbelasting te betalen. Voor de hogere inkomens volstaat dan vrijwel een vlaktaks na inruil van de hypotheekrenteaftrek.
De bevolkingsontwikkeling noodzaakt ons ook om langer doorwerken te stimuleren. Dit is te realiseren door het pensioenstelsel om te zetten naar een verplicht individueel contributiestelsel voor alle vormen van flex en vaste arbeid. Op deze manier wordt er de eerste arbeidsjaren meer pensioen opgebouwd en zijn de laatste jaren minder belangrijk voor opbouw en dus minder kostbaar voor werkgevers en werknemers. Hierdoor wordt het mogelijk om langer maar steeds minder te werken en 67 of zelfs 70 werkend te halen. Op dezelfde wijze kan een verplicht ‘leven lang leren programma’ op individuele basis worden gefinancierd.

Wat vindt u de meest opvallende informatie uit het fact report? De uitstroom van werknemers onder invloed van de vergrijzing is in de onderwijssector hoog in vergelijking met andere sectoren, zo blijkt uit het fact report arbeidsmarkt. De pensionering van veel babyboomdocenten vraagt om een adequaat antwoord. Er is sprake van een toenemende vervangingsvraag, die kwalitatief hoogwaardig moet worden ingevuld door de jongere generaties docenten en door middel van nieuwe instroom.
Wat moet er volgens u gebeuren? Het onderwijs is bepalend voor de toekomst van de samenleving en de concurrentiekracht van de Nederlandse economie. De onderwijssector kampt met een imagoprobleem op de arbeidsmarkt. Het beroep van docent blijkt slechts matig aan te sluiten bij de arbeidsoriëntaties en drijfveren van jongeren. Uit Motivaction-onderzoek blijkt dat veel jongeren niet willen werken in het onderwijs omdat zij niet denken dat ze goede leerkrachten zullen zijn, het hen niet leuk lijkt om docent te zijn en omdat het te weinig verdient.
Mogelijk speelt de vergrijzing in de sector in de beeldvorming over het vak bij jongeren ook een rol. Er zijn voor leerlingen bovengemiddeld veel voorbeelden van babyboomdocenten die met pensioen gaan en niet alleen wat betreft levensfase maar ook qua belevingswereld en motivaties ver af staan van jongeren die nu voor een beroepskeuze staan. Uit Motivaction-onderzoek blijkt dat er een grote mentaliteitsafstand bestaat tussen idealistische docenten uit de protestgeneratie en een vaak meer nuchter, zakelijk en pragmatisch ingestelde generatie leerlingen. Ook het last-in-first-outprincipe in de sector draagt eraan bij dat de oudere docenten meer bepalend zijn voor de cultuur dan jongere docenten, die sneller komen en gaan. Tegelijkertijd kan de conjunctuur zorgen voor een mogelijke tegenbeweging. In tijden van laagconjunctuur is het beroep van leraar vaak populairder dan in tijden van hoogconjunctuur. Als de laagconjunctuur nog een tijdje aanhoudt zal dit naar verwachting dempend kunnen gaan werken op het lerarentekort en bijdragen aan extra jonge instroom in het vak.
Wat het toekomstscenario ook zal zijn, het aantrekken van kwalitatief hoogwaardige jonge leraren is een topprioriteit, gezien de demografische transitie waarin de sector verkeert. Wat is daarvoor nodig? In de eerste plaats slagvaardig en kwalitatief hoogwaardig HR- en beloningsbeleid, zodat het aantrekkelijk is om in de sector te (gaan) werken. Daarnaast is generatiemanagement van belang: stel als schoolleiding de diverse generaties in de organisatie in staat om duurzaam en optimaal inzetbaar te zijn. Daarvoor is kennis van de motivaties van verschillende generaties en de achtergronden van leerkrachten van belang, naast de kunst om op basis van deze kennis effectief te handelen in het dagelijkse contact met en de begeleiding van leraren (ook wel stijlflexibiliteit genoemd). Voor de sector zijn eerlijke en professionele arbeidscommunicatie en een effectieve aansluiting van de organisatie van het onderwijs bij de drijfveren van nieuwe generaties docenten cruciaal om de demografische transitie in goede banen te leiden.
Deel het fact report via Facebook en Twitter.
Hou de nieuwspagina in de gaten om te zien waar het fact report wordt besproken in de media.
Of lees het fact report nog eens rustig door, met de knoppen links navigeert u eenvoudig naar de verschillende secties. Rechts van iedere graphic vindt u de bronnen en verantwoording.
Wij willen graag de feiten met u blijven delen, wilt u op de hoogte gehouden worden van toekomstige Fact Reports?
Vul dan hieronder uw gegevens in!
Welkom bij de verantwoording van het fact report arbeidsmarkt. Hierin beschrijven we hoe we het fact report hebben gemaakt. De verantwoording per grafiek bestaat uit drie delen:
De meest gebruikte bron voor dit fact report is het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS), omdat dit volgens ons de betrouwbaarste en meest volledige bron is voor het feitelijk in kaart brengen van de situatie op de arbeidsmarkt. Waar nodig geven we in de toelichting uitleg over de bronstatistiek van het CBS.
Waar mogelijk hebben we van elke statistiek een internationale vergelijking gemaakt. Dit om te laten zien hoe Nederland zich verhoudt tot andere landen. De vergelijkingen worden gemaakt met Duitsland (belangrijkste economie EU), Denemarken (vergelijkbare economische structuur Nederland), VS (grootste economie ter wereld) en Zuid Korea (opkomende economie).
Internationale vergelijkingen worden gemaakt aan de hand van cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De meetmethoden van de OESO kunnen afwijken van het CBS en hierdoor kan het cijfer van Nederland in de internationale vergelijking afwijken van het cijfer uit een eerdere grafiek.
Het onderzoek voor dit fact report is utgevoerd door:
De graphics zijn gemaakt door:
Iets onduidelijk? Stuur dan gelijk een mailtje naar [email protected] of twitter met #factclub!
De tijdslijn laat de ontwikkeling van de totale bevolking zien. We laten dit zien om de verandering in bevolkingsgroei in beeld te brengen.
De bevolkingscijfers vanaf 2012 zijn gebaseerd op prognoses van het CBS. Bevolkingscijfers zijn het enige onderwerp waarop het CBS voorspellingen doet, omdat het CBS in staat is dit nauwkeurig te doen. Belangrijk om te benadrukken: het blijven schattingen.
Deze grafiek onderscheidt drie leeftijdsgroepen: 0-15 jaar, 15-65 jaar en 65+. De groep van 15-65 is de potentiële beroepsbevolking, zie hiervoor ook de definities. De andere groepen zijn de leeftijdsgroepen buiten de potentiële beroepsbevolking. We hebben dit onderscheid gemaakt, omdat de verhouding tussen deze drie groepen de veranderingen in het arbeidspotentieel van Nederland in beeld brengt.
Een veel besproken onderwerp binnen het publieke debat over de arbeidsmarkt is het verhogen van de pensioenleeftijd naar 67. Daarom laten we zien wat de gevolgen voor de bevolkingsverhoudingen zijn indien de pensioenleeftijd naar 67 wordt verhoogd.
Het kan gebeuren dat de percentages van de drie bevolkingsgroepen net boven de 100 uitkomen (in 2011 100.1%). Dit komt door afronding.
Ook hier geldt weer dat de cijfers van 2040 zijn gebaseerd op prognoses.
Overal waar we het in dit fact report over werkend hebben, bedoelen we mensen tussen de 15 en 65 die 12 uur of meer per week betaald werken (tenzij anders wordt vermeld). Dit is de definitie die het CBS gebruikt en door deze over te nemen kunnen we het meest complete beeld van de arbeidsmarkt geven, omdat op basis van deze indeling de meeste informatie beschikbaar is. Dit betekent dat als we het over niet-werkend hebben, hier ook mensen tussen zitten die wel werken, maar minder dan 12 uur per week.
De potentiële beroepsbevolking hebben we ingedeeld in twee groepen: niet-werkend en werkend. Zo brengen we in kaart hoeveel mensen er wel en hoeveel er niet werken.
De potentiële beroepsbevolking van 11 miljoen komt niet overeen met de 11.1 miljoen die je op basis van de grafiek uit deel 1 zou verwachten. Dit komt, omdat in de potentiële beroepsbevolking mensen uit de institutionele bevolking (zie definities) niet meetellen. Daarom is de potentiële beroepsbevolking lager dan het totaal aantal mensen tussen de 15 en 65.
Potentiële beroepsbevolking: Het deel van de bevolking dat gelet op zijn leeftijd (15-65 jaar) in aanmerking komt voor deelname aan het arbeidsproces. Bron
Werkend (werkzame beroepsbevolking): personen binnen de potentiële beroepsbevolking die in Nederland wonen en betaald werk hebben voor minimaal 12 uur per week. Bron
Niet-werkend: (niet-beroepsbevolking): Het deel van de potentiële beroepsbevolking dat niet tot de beroepsbevolking (nationaal) behoort. Bron
Werkloze beroepsbevolking: Personen zonder werk, of met werk voor minder dan twaalf uur per week, die actief op zoek zijn naar betaald werk voor twaalf uur of meer per week en die daarvoor direct beschikbaar zijn. Bron
Institutionele bevolking: Personen in institutionele huishoudens. Het gaat om personen in instellingen zoals verpleeg-, verzorgings- en kindertehuizen, gezinsvervangende tehuizen, revalidatiecentra en penitentiaire inrichtingen, die daar in principe voor langere tijd (zullen) verblijven. Bron
De OESO berekent de arbeidsparticipatie anders dan het CBS, in de OESO cijfers worden ook personen die minder dan 12 uur per week werken meegerekend, hierdoor is de arbeidsparticipatie in Nederland hoger volgens de OESO (74.4%) dan volgens het CBS (67.2%). Deze cijfers zijn dus vooral relevant om de verschillen tussen de landen te tonen.
Netto-arbeidsparticipatie: Het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de potentiële beroepsbevolking. Bron: CBS
Employement rate: Employment rates are calculated as the ratio of the employed to the working age population. Bron: OESO.
Deze grafiek geeft de redenen weer die personen opgeven waarom ze niet werken. We brengen dit in kaart om te laten zien waarom niet iedereen binnen de potentiële beroepsbevolking werkt. De cijfers komen uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS, een enquête die steekproefsgewijs wordt gehouden onder de Nederlandse bevolking. De cijfers hebben een onnauwkeurigheidsmarge, omdat deze komen uit een steekproefonderzoek. Daarnaast zijn aangevoerde redenen wederzijds uitsluitend. Terwijl het denkbaar is dat iemand én arbeidsongeschikt is én voor het huishouden zorgt. Voor meer informatie over de meetmethode van de EBB, zie: Methoden en definities Enquête Beroepsbevolking 2010 (pdf)
We hebben alle groepen opgesplitst naar geslacht, omdat de man/vrouw verhouding kan afwijken van de man/vrouw verhouding binnen de potentiële beroepsbevolking (1:1).
De groepen 'arbeidsongeschikt' en 'werkloos' hebben we dieper uitgewerkt, omdat dit groepen zijn die vaak in het publieke debat terug komen.
Opleiding: personen die een studie of opleiding volgen
Arbeidsongeschikt: personen die langdurig ziek of arbeidsongeschikt zijn
Werkloos: officieel werklozen. Dit zijn personen binnen de beroepsbevolking die niet of minder dan 12 uur per week werken, maar wel meer willen werken, hiervoor beschikbaar zijn en hier ook naar op zoek zijn.
Vervroegd pensioen: personen met VUT of prepensioen
Zorg voor gezin: personen die niet werken om te zorgen voor gezin of huishouden
Wil werk, maar zoekt niet of is niet beschikbaar: personen die aangeven werk te willen, maar niet actief op zoek zijn of niet direct beschikbaar zijn.
Andere redenen: personen die niet werken, maar ook niet binnen één van de voorgaande groepen vallen.
Om de arbeidsongeschiktheid verder in beeld te brengen gebruiken we cijfers over het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Hier kunnen we meer informatie uit halen, zoals het type arbeidsongeschiktheid (WAO, Wajong etc). Ook worden uit deze cijfers eventuele gevolgen van beleid zichtbaar. De uitkeringscijfers verschillen van de EBB-cijfers, omdat niet iedereen die aangeeft arbeidsongeschikt te zijn een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Daarnaast kunnen mensen die werken ook een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen.
Vanaf 2006 heeft de WIA (Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen) de WAO (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering) vervangen. De WIA is weer op te splitsen in de IVA (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) en de WGA (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten). Mensen die na 2006 een arbeidsongeschiktheiduitkering aanvragen ontvangen dus geen WAO uitkering meer. Iedereen die al een WAO uitkering ontving blijft deze ontvangen.
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen: Periodieke uitkering op grond van arbeidsongeschiktheidswetten. Bron
WAO: Wet die als doel heeft om personen in loondienst te verzekeren van een loonvervangende uitkering bij langdurige arbeidsongeschiktheid (langer dan een jaar). Bron
Wajong: Wettelijke voorziening in de financiële gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid van mensen die geen aanspraak kunnen maken op de WAO omdat er geen arbeidsverleden is opgebouwd. Dit zijn mensen die arbeidsongeschikt zijn op de dag dat zij 17 jaar worden of na hun 17e jaar arbeidsongeschikt worden én een opleiding/studie volgen. Bron
WAZ: Een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de financiële gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is met ingang van 1 augustus 2004 geblokkeerd. Bron
IVA: Dit is een regeling voor arbeidsongeschikte (ex-) werknemers die door middel van werk maximaal 20 procent van hun laatstverdiende loon kunnen verdienen. Hierbij geldt de voorwaarde dat de kans op herstel op lange termijn klein is. Bron
WGA: Dit is een regeling voor (ex-) werknemers die door ziekte of gebrek minimaal 20 procent en maximaal 65 procent kunnen verdienen van hun laatstverdiende loon. Hiernaast zijn ook (ex-) werknemers die wel volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn, aangewezen op een WGA-uitkering Bron
WIA: De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is sinds 2006 de opvolger van de WAO, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, die van kracht blijft voor personen die vóór 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden. De WIA is bestemd voor (ex)-werknemers onder de 65 jaar die voor tenminste 35 procent arbeidsongeschikt zijn. Om voor een uitkering in aanmerking te komen, geldt een wachttijd van twee jaar. Bron
Het komt vaak voor dat het werkloosheidspercentage bij mannen lager is dan bij vrouwen, maar het absoluut aantal werklozen hoger is. Dit komt door de manier waarop het werkloosheidspercentage wordt berekend: het werkloosheidspercentage is het percentage werklozen ten opzichte van de beroepsbevolking (zie definities). Omdat er meer mannen werken en de beroepsbevolking van mannen dus groter is kan het percentage werklozen lager zijn dan bij vrouwen, maar het absoluut aantal werklozen hoger.
We laten de vacaturegraad zien, omdat hieruit duidelijk wordt hoeveel vraag er naar arbeid is.
We laten het percentage werklozenper leeftijdsgroep zien om de verschillen tussen leeftijdsgroepen inzichtelijk te maken. Een van de redenen dat jongeren vaker werkloos zijn, is dat er bij deze groep sprake is van frictiewerkloosheid. Dit is de periode tussen het afronden van een opleiding en het vinden van een baan.
Werkloosheidspercentage: De werkloze beroepsbevolking als percentage van de beroepsbevolking (nationaal). Bron
Beroepsbevolking: Alle personen die:
Vacaturegraad: Het aantal openstaande vacatures per 1000 banen van werknemers. Bron
Dit werkloosheidspercentage is lager dan het cijfer uit de eerdere grafiek over werkloosheid, dit komt omdat de OESO ook mensen die minder dan 12 uur per week werken rekent tot de werkzame beroepsbevolking en het CBS niet.
Werkloosheidspercentage (internationaal): 'Unemployed persons are defined as those who report that they are without work, that they are available for work and that they have taken active steps to find work in the last four weeks'. [OESO]
Het gaat hier om mensen tussen de 15 en 65 jaar die meer dan 12 uur per week betaald werken.
In deze grafiek hebben wij het aantal werkende mannen en vrouwen vanaf 1950 in kaart gebracht, omdat op deze manier de ontwikkeling in de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen duidelijk wordt.
De werkzame beroepsbevolking is uitgesplitst naar voltijd en deeltijd, omdat dit relevant is voor discussies over arbeidsparticipatie en er een opvallend verschil zichtbaar is tussen man en vrouw. Voor meer uitleg over het gebruik van voltijd en deeltijd, zie definities.
Deeltijd: Baan van een werknemer waarbij op een bepaald peilmoment/-periode het aantal overeengekomen uren lager ligt dan het aantal dat behoort bij een volledige dag- en weektaak. Bron
Voltijd: Baan van een werknemer waarbij op een bepaald peilmoment/-periode het aantal overeengekomen te werken uren behoort bij een volledige dag- en weektaak Bron
Op basis van de arbeidsduurindelingen van het CBS (12 tot 20 uur, 20 tot 35 uur en 35 uur of meer per week) hebben wij er voor gekozen om iedereen die tussen de 12 en 35 uur per week werkt te rekenen tot deeltijd en 35 uur of meer per week tot voltijd.
We hebben de arbeidsparticipatie uitgesplitst naar geslacht en leeftijdsgroep, omdat op deze manier relevante verschillen naar voren komen. We hebber er voor gekozen om ook de participatie van groepen boven de 65 te laten zien omdat dit relevante informatie voor een discussie over een verhoging van de pensioenleeftijd oplevert.
We hebben het aandeel deeltijd werkzame personen en het aantal gewerkte uren per persoon in dezelfde grafiek weergegeven omdat deze informatie met elkaar samenhangt.
De definitie van deeltijd werk van de OESO wijkt af van die van het CBS. Voor de OESO werkt iemand deeltijd wanneer hij of zij minder dan 30 uur per week werkt. Het percentage deeltijd werkzame personen (parttimers) wordt vervolgens berekend door de parttimers af te zetten tegen alle werkzame personen binnen de beroepsbevolking. Dus ook de mensen die minder dan 12 uur per week werken.
Deeltijd (OESO definitie): Part-time employment refers to persons who usually work less than 30 hours per week in their main job.
We hebben het gemiddeld aantal gewerkte uren per week in beeld gebracht, omdat dit door de jaren heen is veranderd. Voor deze grafiek hebben we het totaal aantal arbeidsjaren (zie definities) afgezet tegen het totaal aantal werkzame personen (inclusief minder dan 12 uur per week) en deze verhouding omgezet naar een werkweek van 40 uur.
Arbeidsjaren: Een maatstaf voor het arbeidsvolume, die wordt berekend door alle banen (voltijd en deeltijd) om te rekenen naar voltijdbanen, ook wel voltijdequivalenten (vte) genoemd. Bron
We hebben de arbeidsproductiviteit internationaal vergeleken, omdat hieruit het verschil in opbrengst per gewerkt uur duidelijk wordt.
Voor internationaal vergelijken van de arbeidsproductiviteit wordt de meetmethode van de OESO aangehouden. Dit houdt in het Bruto Binnenlands Product (BBP) per gewerkt uur uitgedrukt in dollars en gecorrigeerd naar koopkrachtpariteit (zie definities). Een kanttekening die hierbij gemaakt moet worden: in het BBP zijn ook de opbrengsten die niet uit arbeid voortkomen (bijvoorbeeld uit grondstoffen) opgenomen. Dit kan een vertekend beeld geven. Een land met veel opbrengsten uit natuurlijke grondstoffen (Noorwegen) haalt op deze manier een extreem hoge arbeidsproductiviteit, maar dit hoeft niet te betekenen dat een computerprogrammeur of loodgieter in Noorwegen veel productiever is dan in een ander land.
We hebben er voor gekozen om deze cijfers toch te laten zien, omdat deze wel een indicatie geven over de arbeidsproductiviteit van een land als geheel.
Koopkrachtpariteit: Een omrekenfactor voor valuta die de effecten van prijsverschillen elimineert. Bron
Bruto Binnenlands Product (BBP): Het eindresultaat van de productieve activiteiten van de ingezeten productie-eenheden. Het is gelijk aan de toegevoegde waarde tegen basisprijzen van alle bedrijfsklassen samen, aangevuld met enkele transacties die niet naar bedrijfsklassen worden verdeeld. Bron
We laten het aantal banen per sector zien, omdat dit iets zegt over de vraagkant op de arbeidsmarkt en het aandeel 55-65’ers per sector. Zo maken we inzichtelijk in welke sectoren (naar verwachting) mensen zullen uittreden en in welke mate.
De gegevens voor het aantal 55-65’s zijn afkomstig uit 2008, omdat dit de meest recente informatie beschikbaar is.
Deze indeling naar sectoren is gemaakt op basis van beschikbare CBS gegevens.
We brengen de baanmobiliteit in beeld om inzichtelijk te maken hoe vaak mensen van baan wisselen.
Baanmobiliteit: Aantal jaren dat werkzame personen hun huidige baan (in geval van meer banen: hun huidige hoofdbaan) bekleden (inclusief zelfstandigen). Bron
We hebben de verschillende arbeidsrelaties in beeld gebracht, omdat deze van belang zijn voor het debat over de flexibilisering van de arbeidsmarkt.
Arbeidsrelatie: Indeling van banen op basis van de afspraken die in de arbeidsovereenkomst zijn gemaakt over het al dan niet flexibel zijn van de arbeidstijd. Bron
Vast dienstverband: Een persoon die een arbeidsovereenkomst heeft die niet van beperkte duur is én die voor een vast overeengekomen aantal uren in dienst is. Bron
Zelfstandigen: - Personen die werkzaam zijn in eigen bedrijf of praktijk; - Personen die werkzaam zijn in bedrijf of praktijk van hun partner of ouders; - Overige zelfstandigen, personen die niet werknemer zijn en niet werkzaam zijn in eigen bedrijf of praktijk of bedrijf van hun partner/ ouders. Tot deze categorie behoren onder meer freelancers. Bron
Tijdelijk dienstverband met uitzicht op vast: Een persoon die een arbeidsovereenkomst heeft die van beperkte duur is waarbij is afgesproken dat hij/zij bij goed functioneren in vaste dienst komt én die voor een vast overeengekomen aantal uren in dienst is. Bron
Tijdelijk dienstverband >= 1 jaar: Een persoon die een arbeidsovereenkomst heeft die van beperkte duur is, maar wel minimaal 1 jaar duurt én die voor een vast overeengekomen aantal uren in dienst is. Bron
Uitzendkrachten: Een persoon die ingeschreven is bij een uitzendbureau en die met dat bureau een arbeidsverhouding is aangegaan tot het verrichten van werkzaamheden op tijdelijke basis voor derden. Bron
Oproep- of invalkrachten: Werknemer die op oproep of afroep beschikbaar is voor het verrichten van werkzaamheden. Bron
Vast dienstverband zonder vaste uren: Een persoon die een arbeidsovereenkomst heeft die niet van beperkte duur is én die niet voor een vast overeengekomen aantal uren in dienst is. Bron
Tijdelijk dienstverband vaste uren: Een persoon die een arbeidsovereenkomst heeft die van beperkte duur is én die niet voor een vast overeengekomen aantal uren in dienst is. Bron
Tijdelijk dienstverband overig: Een persoon die een arbeidsovereenkomst heeft die van beperkte duur is, namelijk korter dan 1 jaar, en waarbij niet is afgesproken dat hij/zij bij goed functioneren in vaste dienst komt én die voor een vast overeengekomen aantal uren in dienst is. Bron
We laten de contractsoorten zien om te laten zien of er een verschil (in contractsoort) bestaat tussen mensen die deeltijd en voltijd werken.
Het aantal mensen met een contract voor onbepaalde tijd in deze grafiek wijkt af van het aantal in de vorige grafiek, omdat in deze grafiek de groep 'contractsoort niet van toepassing' niet is meegerekend.
Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tijdelijke baan): Een arbeidsovereenkomst waarvan de duur door overeenkomst tussen werkgever en werknemer, door de wet of door het gebruik is aangegeven. Na het verstrijken van de overeengekomen periode eindigt de overeenkomst van rechtswege, dat wil zeggen zonder opzegging of andere handeling. Bron
Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (vaste baan): Een arbeidsovereenkomst waarvan de einddatum niet is vastgelegd, tenzij door de pensioendatum. Voor beëindiging daarvan moet men een ontslagvergunning aanvragen bij de directeur van het CWI, tenzij de overeenkomst wordt beëindigd op grond van: overlijden werknemer, een gewichtige reden (ontbinding door kantonrechter), dringende reden (op staande voet) of met wederzijds goedvinden. Bron