The Fact Club wil de kwaliteit van het publiek debat verbeteren, door het te voeden met feiten. Zo willen we ‘fact free politics’ bestrijden. Speciaal voor de campagneperiode hebben wij daarom het “fact report Verkiezingen” samengesteld. Een noodzakelijk overzicht van feiten voor politici, journalisten én kiezers.
Waarom?
Vanaf deze week barst het verkiezingsspektakel weer los. Politici presenteren stuk voor stuk prachtige ideeën en spindoctors proberen die op alle mogelijke manier te verkopen. Maar de feiten dreigen ondergesneeuwd te raken. Hoe hoog is de overheidsschuld nu eigenlijk? Geeft de overheid meer uit aan zorg dan tien jaar geleden? Wat verdienen we aan het buitenland? En hoe staat de Nederlandse economie er eigenlijk voor? Op deze en nog veel meer vragen biedt dit report de feiten. Geen meningen of opinies, gewoon de feiten. Het eerlijke verhaal, dat niet iedereen wil horen, maar wel leidend zou moeten zijn. We baseren ons daarbij op gegevens van het CBS.
Handleiding
De achtergrond van de grafieken, de analyses en de keuzes kunt u lezen in de verantwoording. Ook vindt u in de verantwoording definities en een overzicht van de gebruikte bronnen. Door op de knop ‘verantwoording’ rechts in uw scherm of op de bronvermelding onder de graphic te klikken komt u hier terecht. De verantwoording is een onmisbaar onderdeel van het fact report.
Het fact report bestaat uit vier thema’s: ‘overheidsfinanciën’, ‘verzorgingsstaat’, ‘Nederland internationaal’ en ‘kerncijfers economie’. U leest het fact report door van boven naar beneden te scrollen of te sliden. Met de knoppen links in uw scherm (de vakjes van de stemkaart) navigeert u snel van het thema in het fact report naar het andere. De overgang tussen de thema’s is steeds apart gemarkeerd.
Scroll naar beneden voor de feiten!
Deel het fact report via Facebook en Twitter.
Hou de nieuwspagina in de gaten om te zien waar het fact report wordt besproken in de media.
Of lees het fact report nog eens rustig door, met de knoppen links navigeert u eenvoudig naar de verschillende secties. Rechts van iedere graphic vindt u de bronnen en verantwoording.
Wij willen graag de feiten met u blijven delen, wilt u op de hoogte gehouden worden van toekomstige Fact Reports?
Vul dan hieronder uw gegevens in!
Welkom bij de verantwoording van het fact report Verkiezingen. Hierin beschrijven we hoe we het fact report hebben gemaakt. De verantwoording per grafiek bestaat uit drie delen:
De meest gebruikte bron voor dit fact report is het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS), omdat dit volgens ons de betrouwbaarste en meest volledige bron is. Waar nodig geven we in de toelichting uitleg over de bronstatistiek van het CBS.
Het onderzoek voor dit fact report is utgevoerd door:
De graphics zijn gemaakt door:
Iets onduidelijk? Stuur dan gelijk een mailtje naar [email protected] of twitter met #factclub!
Een van de redenen die worden aangevoerd voor de val van het kabinet is dat de VVD, het CDA en de PVV het niet eens werden over de begroting voor 2013. De overheidsfinanciën zullen ook tijdens de komende campagne een belangrijke rol spelen, temeer dit ook rechtstreeks gelieerd is aan de Brusselse normen Daarom presenteren wij in dit fact report de meest relevante feiten over de overheidsfinanciën.
We laten de inkomsten en uitgaven van de overheid om twee redenen zien. Voor het debat over bezuinigingen is het relevant om te weten hoeveel de overheid ontvangt en hoeveel ze uitgeeft en het verschil daarin met voorgaande jaren. Hiermee krijgt de lezer zicht op de omvang van de overheidsbegroting.
Overheid: De sector overheid omvat ten eerste alle (publiekrechtelijke) eenheden die zich bezighouden met de herverdeling van inkomen en vermogen. Het gaat hier in Nederland om ministeries, gemeenten, provincies, waterschappen en dergelijke. Ten tweede worden die instellingen tot de overheid gerekend die gecontroleerd en voornamelijk gefinancierd worden door de eerder genoemde eenheden, én daarbij niet voor de markt produceren. Bron: CBS
Deze graphic heeft als doel inzicht te bieden in de uitgaven van de overheid. We laten hier zien hoe de totale uitgaven verdeeld zijn over verschillende posten.
De gepresenteerde posten zijn afkomstig uit de zogenaamde COFOG indeling (Classification of the Functions of Government), dit is een internationale indeling die door het CBS wordt gebruikt. Dit maakt het vergelijken van uitgavenposten tussen landen mogelijk. Verderop in dit fact report gaan we verder in op de uitgaven aan zorg en sociale zekerheid in Nederland. De bedragen die we daar presenteren zijn gebaseerd op een andere indeling dan de COFOG indeling, namelijk de zorgrekeningen. Daarom presenteren we hier alleen de omvang van de posten ten opzichte van het totaal.
Sociale bescherming: Uitkeringen vanwege arbeidsongeschiktheid, ouderdom, nabestaanden, gezin en kinderen, werkloosheid, huisvesting, loonderving bij ziekte en overige sociale bescherming (zoals zorgtoeslag en opvang van vluchtelingen, alcohol- en drugverslaafden). Ook beleid en uitvoering vallen hieronder. Bron: CBS
Volksgezondheid: Volksgezondheid omvat medische producten en apparaten, medische behandeling met of zonder opname van de patiënt en openbare gezondheidszorg (consultatiebureaus, gemeentelijke gezondheidsdiensten, orgaanbanken). Ook beleid, inspectie, regulering en ondersteuning vallen hieronder. Bron: CBS
Onderwijs: Onderwijs omvat het basisonderwijs, voortgezet en middelbaar onderwijs, hoger onderwijs, overig gesubsidieerd onderwijs en ondersteunende diensten voor het onderwijs (leerlingen- en studentenvoorzieningen). Ook beleid en inspectie vallen hieronder. Bron: CBS
Algemeen overheidsbestuur: Algemeen overheidsbestuur omvat ondermeer de uitvoerende en wetgevende overheidsorganen (zoals de Eerste en Tweede kamer, gemeentebesturen), hulp aan het buitenland, algemene dienstverlening, fundamenteel onderzoek. Bron: CBS
Economische aangelegenheden: Betreft economische, handels- en arbeidsmarktaangelegenheden, waaronder economisch beleid, toezicht en stimulering. Bron: CBS
Openbare orde en veiligheid: Openbare orde en veiligheid omvat politie, brandweer, rechtspraak, gevangeniswezen, evenals beleid en toezicht op dit gebied. Bron: CBS
Recreatie, cultuur, religie: Diensten op het gebied van recreatie en sport (parken, stranden, kampeerterreinen, sportaccommodaties en -terreinen), cultuur (bibliotheken, instellingen voor kunstuitleen, musea, theaters, monumenten, dierentuinen, botanische tuinen), omroepen en uitgeverijen (radio, televisie en pers), religieuze en maatschappelijke organisaties (bedienaars van erediensten, vakbonden, politieke partijen). Ook beleid valt hieronder. Bron: CBS
Landsverdediging: Landsverdediging omvat land-, lucht- en zeemacht en daarmee samenhangende activiteiten ter bescherming van de bevolking, militaire hulp aan het buitenland (internationale vredesmissies) en defensiebeleid. Bron: CBS
Milieubescherming: Milieubescherming omvat beheer van afval en afvalwater, bestrijding van milieuverontreiniging en bescherming van de biodiversiteit (verscheidenheid aan plant- en diersoorten) en het landschap. Ook beleid, inspectie, en ondersteuning vallen hieronder. Bron: CBS
Huisvesting en gemeenschapsvoorziening: Huisvesting (inclusief grond aan- en verkoop), stads- en plattelandsontwikkeling, watervoorziening en straatverlichting. Ook beleid, inspectie, regulering, uitvoering en ondersteuning vallen hieronder. Bron: CBS
Voor het debat over de overheidsfinanciën zijn niet alleen de uitgaven, maar vanzelfsprekend ook de inkomsten van de overheid van belang.
De gegevens in deze graphic komen uit twee bronnen: CBS Statline en het financieel jaarverslag van de Rijksbegroting. In dit laatste verslag wordt namelijk een splitsing gemaakt tussen premies werknemersverzekeringen en premies volksverzekeringen. Het totale premiebedrag uit het financieel jaarverslag komt overeen met de informatie uit Statline.
Om het overzicht te behouden laten we alleen de inkomsten zien die minstens vier procent van de totale inkomsten vertegenwoordigen.
Werknemersverzekering: Verzekering voor werknemers, d.w.z. personen die werkzaam zijn op grond van een arbeidsovereenkomst. Bron: CBS
Volksverzekering: Een verzekering waarvoor in principe iedere inwoner verzekerd is. Bron: CBS
Loonbelasting: Belasting die door de werkgever wordt ingehouden op het loon van de werknemer, als onderdeel van de loonheffing. De werkgever draagt deze belasting vervolgens af aan de overheid en doet daarvoor maandelijks aangifte. Bron: CBS
BTW: Een productgebonden belasting die op de verschillende momenten van levering door producenten wordt geïnd en uiteindelijk volledig ten laste komt van de eindgebruikers. Producenten dragen alleen het verschil af tussen de belasting over de toegevoegde waarde (btw) op hun verkopen en de btw op hun aankopen. Bron: CBS
Accijnzen: Productgebonden belastingen op productie. Voorbeelden zijn accijnzen op benzine, tabak en alcohol. De accijnzen zijn verschuldigd over de uitslag (levering, verkoop) en de invoer van de betreffende producten. Bron: CBS
Vennnootschapsbelasting: Belasting die wordt geheven over de winst van ondernemingen. De vennnootschapsbelasting wordt gerekend tot de belastingen op inkomen. Bron: CBS
In eerdere graphics hebben we gezien dat de overheid meer uitgeeft dan ze binnen krijgt. Dit (begrotings-) tekortt) moet worden gefinancierd, De overheid leent hiervoor geld. De overheid lost jaarlijks ook leningen af. Het begrotingstekort minus de aflossingen is het bedrag dat de overheid extra moet lenen, ofwel het financieringstekort. Het financieringstekort is dus het bedrag waarmee de totale schuld van de overheid toeneemt.
In 2008 valt de sterke stijging van de overheidsschuld op. Deze wordt veroorzaakt door onder andere de overname van (een deel van) Fortis, de steun aan ING, Aegon en SNS en financiële maatregelen rond het faillissement van van Ice Save. Dergelijke maatregelen zien we niet direct terug op de overheidsbegroting, maar alleen in de overheidsschuld.
Over de overheidsschuld wordt rente betaald. De rentelasten zijn naast de hoogte van de overheidsschuld afhankelijk van het rentepercentage dat Nederland betaalt over de overheidsschuld. Nederlandse staatsobligaties zijn op dit moment erg populair bij beleggers waardoor Nederland een laag rentepercentage betaalt over zijn schuld.
De rentebetalingen vallen onder de functie ‘verrichtingen overheidsschuld’.
Overheidsschuld: De geconsolideerde schuld van de overheid (gewaardeerd tegen de nominale waarde). Voor de overheid is de overheidsschuld geconsolideerd. Dit wil zeggen dat schulden en vorderingen tussen overheden onderling niet meetellen in de schuld van de totale overheid. Bron: CBS
We laten de overheidsschuld per hoofd van de bevolking zien, omdat dit een groot bedrag tastbaar maakt. Het is niet zo dat iedere Nederland daadwerkelijk deze schuld op eigen naam uit heeft staan.
Om inzichtelijk te maken hoe dit zich verhoudt tot onze buurlanden hebben we een vergelijking opgenomen met onder andere Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk.
We hebben de overheidsschuld per hoofd van de bevolking berekend door de totale overheidsschuld uit 2011 te delen door het aantal inwoners in 2011.
In de vorige graphics hebben we de overheidsschuld laten zien. Tegenover schuld staan ook vorderingen. Een deel van de stijging van de overheidsschuld in 2008 komt terug in de vorderingen. In 2008 heeft de overheid een deel van Fortis (en Fortis bezat het Nederlandse deel van ABN Amro) overgenomen en leningen verstrekt aan ING, SNS en AEGON. Deze overname en leningen zijn nu vorderingen op de Nederlandse overheid.
De vorderingen zijn gebaseerd op de eindbalans van de overheid en weergegeven tegen marktwaarde.
In de vorderingen zijn materiële activa als aardgas, dijken en het Rijksmuseum niet meegenomen.
Vorderingen: De financiële bezittingen, ofwel de financiële activa op de balans. Bron: CBS
Eindbalans: Waarde van de posten op de balans aan het eind van de verslagperiode. Dit wordt berekend als het saldo van de beginbalans plus de financiële transacties en de overige mutaties die in het verslagjaar hebben plaatsgevonden. Bron: CBS
Landen met de euro maken onderdeel uit van de Europese Monetaire Unie (EMU). Deze landen, waaronder Nederland, hebben afgesproken aan twee Europees normen te voldoen: 1) de overheidsschuld mag niet meer dan zestig procent van het bbp bedragen en 2) het begrotingstekort zou niet meer dan drie procent van het bbp mogen behelzen. Omdat Nederland zich heeft gecommitteerd aan deze normen laten we zien of en wanneer Nederland deze normen heeft overschreden.
Overheidssaldo: Het overheidssaldo is het verschil tussen de ontvangsten en de lopende uitgaven van de overheid. Bron: CBS
Bbp: Bruto binnenlands product. Bron: CBS
Om te zien hoe Nederland zich verhoudt tot andere landen laten we in een internationale vergelijking overheidssaldi en overheidsschulden (beide als percentage van het bbp) zien. De selectie van landen laten maakt de verschillen binnen Europa duidelijkzonder dat we pretenderen daarin volledig te willen zijn. Waar mogelijk en relevant gebruiken we bij andere internationale vergelijkingen in het fact report dezelfde selectie van landen.
• Duitsland: euroland, grootste economie van de EU
• Oostenrijk: klein euroland
• Spanje: groot euroland, heeft financiële steun EU aangevraagd
• Denemarken: wel EU geen euro, klein land
• Verenigd Koninkrijk: belangrijkste EU (niet euro) economie
• Noorwegen: geen euro of EU
Eurzone: De EU euro-zone bestaat uit de volgende landen met tussen haakjes het jaar van toetreding: België (1999), Duitsland (1999), Finland (1999), Frankrijk (1999), Griekenland (2001), Ierland (1999), Italië (1999), Luxemburg (1999), Nederland (1999), Oostenrijk (1999), Portugal(1999), Spanje (1999), (1999) Slovenië (2007), Malta (2008), Cyprus (2008) en Slowakije (2009), Estland (2011). Bron: CBS
EU niet eurozone: Dit zijn: Bulgarije (2007), Denemarken (1973),), Frankrijk (1958), Hongarije (2004), Letland (2004), Litouwen (2004), Polen (2004), Roemenië (2007), Tsjechië (2004), Verenigd Koninkrijk (1973)en Zweden (1995). Bron: CBS
Bij het thema overheidsfinanciën hebben we gezien dat een groot deel van de overheidsuitgaven naar uitkeringen (sociale bescherming), zorg (volksgezondheid) gaan. Sociale bescherming betreft officieel een breder begrip dan sociale uitkeringen: ‘onder de brede Europese term sociale bescherming vallen publieke regelingen in het kader van sociale zekerheid, zoals de zorguitgaven die gefinancierd worden uit de basisverzekering. Maar ook particuliere regelingen, zoals pensioenuitkeringen die betaald worden uit collectieve pensioenfondsen, bijvoorbeeld het ABP, worden er toe gerekend.’
Een veel gebruikte definitie van de term verzorgingsstaat luidt ‘een maatschappijvorm die gekenmerkt wordt door een op democratische leest geschoeid systeem van overheidszorg dat zich, bij handhaving van een kapitalistisch productiesysteem, garant stelt voor het collectieve welzijn van haar onderdanen’ (Uit Staatkunde in drievoud, p 133 – 134, definitie van Thoenes). Met andere woorden een samenleving waarin de overheid door middel van allerlei regelingen en voorzieningen op het gebied van bijvoorbeeld gezondheidszorg, werkgelegenheid en onderwijs zorg draagt voor de burgers.
In dit deel van het fact report verstaan we onder de verzorgingsstaat zorg en sociale zekerheid. We zijn ons ervan bewust dat dit geen officiële definitie van de ‘verzorgingsstaat’ is en dat deze beide thema’s ook niet de volledige verzorgingsstaat omvatten, maar wel een belangrijk deel daarvan. Daarnaast zijn zowel zorg als sociale zekerheid veelbesproken thema’s in het publiek debat.
De hoge overheiduitgaven aan de verzorgingsstaat roepen de vraag op : waar gaat dit geld precies naar toe? In dit hoofdstuk brengen we de ontwikkeling van de regelingen die vallen onder sociale zekerheid en zorg in beeld. We beginnen met de totale kosten van de verzorgingsstaat, maar maken vervolgens een splitsing tussen sociale zekerheid en zorg. Onder sociale zekerheid verstaan we het stelsel van uitkeringen en voorzieningen gericht op het (tijdelijk) opvangen van inkomensverlies door bijvoorbeeld ziekte, arbeidsongeschiktheid of pensioen. Binnen zorg maken we een onderscheid tussen welzijnszorg en gezondheidzorg.
Startpunt van dit hoofdstuk over de verzorgingsstaat zijn de totale uitgaven aan sociale beschermingsuitkeringen. Hierin zijn de uitgaven opgenomen van de overheid, bedrijven (bijvoorbeeld rechtstreeks betaald ziektegeld) en pensioenfondsen. Dit totaaloverzicht laat dus zowel de uitgaven aan uitkeringen als aan de zorg zien.
Omdat een deel van de kostenstijging veroorzaakt wordt door inflatie hebben we duidelijk gemaakt wat de uitgaven aan de sociale beschermingsuitkeringen in 2001 op het prijsniveau van 2011 zouden zijn.
Sociale beschermingsuitkeringen: De sociale beschermingsuitkeringen omvatten alle maatregelen van openbare of particuliere instellingen die tot doel hebben de lasten van gezinnen en personen ten gevolge van een vastgestelde reeks risico's en behoeften te verlichten, op voorwaarde dat er geen sprake is van een gelijktijdige tegenprestatie of individuele overeenkomst. Bron: CBS
De totale uitgaven (dus ook die van pensioenfondsen) hebben we vervolgens uitgesplitst naar functie. Voor deze functies hebben we de CBS indeling aangehouden, omdat het CBS ook de bron is waaruit we de gegevens hebben gedestilleerd. Omdat er relatief veel functies zijn die een klein deel van de uitgaven vertegenwoordigen hebben we deze geclusterd onder de categorie ‘overig’.
Geestelijke en lichamelijke ziekte: Inkomensgarantie en inkomenssteun in geld in verband met lichamelijke of geestelijke ziekte, exclusief invaliditeit. Gezondheidszorg heeft tot doel de gezondheid van de beschermde personen te behouden, herstellen of verbeteren, ongeacht de oorzaak van de kwaal. Bron: CBS
Ouderdom: Inkomensgarantie en inkomenssteun in geld of in natura in verband met ouderdom. Bron: CBS
Invaliditeit: Inkomensgarantie en inkomenssteun in geld of in natura in verband met het onvermogen van lichamelijk of geestelijk gehandicapten om economisch en maatschappelijk actief te zijn. Bron: CBS
Overig: Onder overig vallen de categorieën ‘nabestaanden’, ‘gezin’, ‘werkloosheid’, ‘huisvesting’ ‘sociale uitsluiting’ en ‘onderwijs’. Bron: CBS
In dit deel van het fact report laten we de sociale zekerheid uitgesplitst naar een aantal sociale regelingen zien. Dat doen we om twee redenen. In de eerste plaats is bijna iedereen bekend met de verschillende regelingen zoals de AOW en WW, deze zijn voor de lezer dus aansprekender dan een indeling naar functies als ‘invaliditeit’ of ‘sociale uitsluiting’. De tweede reden is dat we op deze manier de ontwikkeling over de jaren beter kunnen laten zien. Het gaat hier om een ontwikkeling van de omvang (euro’s) van de verschillende regelingen. Deze graphic geeft dus niet een totaal beeld van alle sociale regelingen. We hebben een selectie gemaakt van regelingen die je vaak hoort in het debat.
Om de ontwikkeling in de kosten goed te kunnen duiden hebben we de groeivoet berekend. De groeivoet is op de volgende manier berekend: (waarde 2011/ waarde 2000)^(1/11)-1. Deze groeivoet is gebaseerd op inflatiegecorrigeerde cijfers. De inflatie is gecorrigeerd door 2011 als uitgangspunt te nemen en de andere jaren om te zetten naar het prijsniveau van 2011.
In 2006 is de WAO vervangen door de WIA (wie al een WAO-uitkering ontving blijft deze ontvangen). Vanaf 2006 hebben we dus de uitgaven aan de WAO en WIA bij elkaar opgeteld.
AOW: De Algemene Ouderdomswet (AOW) is een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte verzekering die personen van 65 jaar en ouder een inkomen garandeert. In het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel is dit een volksverzekering. Bron: CBS
WAO: De Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voorziet in een loonvervangende uitkering voor werknemers die vóór 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden en na 1 jaar nog geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt waren. Vanaf 2006 is de WAO opgevolgd door de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Bron: CBS
WIA: De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is een wet die als doel heeft om personen in loondienst te verzekeren van een loonvervangende uitkering bij langdurige arbeidsongeschiktheid (langer dan twee jaar) Bron: CBS
Wajong: In 2010 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in werking getreden. Met die wet is de Wajong regeling zoals die gold tot en met 31 december 2009 komen te vervallen. De wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is een wettelijke voorziening in de financiële gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid van mensen die geen aanspraak kunnen maken op de WAO omdat er geen arbeidsverleden is opgebouwd. Dit zijn mensen die arbeidsongeschikt zijn op de dag dat zij 17 jaar worden of na hun 17e jaar arbeidsongeschikt worden én een opleiding/studie volgen.
Ook arbeidsongeschikte studenten komen in aanmerking voor een Wajong-uitkering. Het fonds wordt volledig gefinancierd door een rijksbijdrage.
Bron: CBS
Bijstand: De Wet werk en bijstand (WWB) is een wettelijke sociale voorziening voor personen die zelf geen inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien In het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel is dit een laatste (aanvullende) voorziening. Bron: CBS
WW: De Werkloosheidswet (WW) heeft tot doel werknemers te verzekeren tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. De wet voorziet in een uitkering die gerelateerd is aan het laatstverdiende inkomen uit een dienstbetrekking. De duur van de uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden van de verzekerde. De WW heeft betrekking op zowel werknemers uit het bedrijfsleven als (ex) overheidspersoneel. Bron: CBS
Naast sociale uitkeringen kan de overheid burgers ook ondersteunen door middel van toeslagen. Alle toeslagen in deze graphic zijn inkomensafhankelijk.
De groeivoet is op dezelfde manier berekend als bij de uitkeringen.
In 2008 is het kindgebonden budget (bijdrage in de kosten voor kinderen tot 18 jaar, wordt uitgekeerd naast kiunderbijslag en is inkomesnafhankelijk) ingevoerd. Deze is niet verwerkt in deze graphic,omdat deze regeling nog maar relatief kort bestaat.
Toeslagen (voorzieningen): Voorzieningen zijn uitkeringen die niet het karakter van een verzekeringsuitkering hebben. Er vindt namelijk geen premieheffing plaats; de voorziening komt direct ten laste van de algemene middelen van de overheid. Bron: CBS
Kinderopvang: Kinderopvang is een inkomensafhankelijke uitkering in het kader van de Wet Kinderopvang met als doel het ook voor lagere inkomens mogelijk te maken kinderen op te laten vangen. Bron: CBS
Huurtoeslag: Individuele huursubsidies (IHS) zijn uitkeringen sociale voorzieningen in natura waar een huurder voor in aanmerking kan komen als de huur te hoog is in vergelijking met het inkomen. Bron: CBS
Toeslagenwet: De Toeslagenwet (TW) verstrekt toeslagen op uitkeringen in het geval van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid tot het relevante sociale minimum. Bron: CBS
Zorgtoeslag: De zorgtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van de premie van de zorgverzekering en wordt geregistreerd als een wettelijke sociale voorziening in geld. Bron: CBS
We splitsen de uitgaven aan de zorg uit naar welzijnszorg en gezondheidszorg, omdat dit (zoals de naam al doet vermoeden) verschillende type zorg zijn en deze ook verschillend worden gefinancierd.
Hier hebben we de inflatiecorrectie toegepast door bij alle posten aan te geven wat de kosten in 2000 naar het prijsniveau van 2011 zouden zijn.
De kosten van de zorg hebben we berekend door de totale uitgaven aan de zorg (inflatie gecorrigeerd) te delen door het aantal inwoners in 2011 (16.7 miljoen).
Welzijnszorg: Aanbieders van verpleging, verzorging, begeleiding en opvang in de vorm van therapieën, behandeling, begeleiding en onderdak. Bron: CBS
Gezondheidszorg: Aanbieders van preventieve en acute medische zorg en onderzoek ter handhaving en herstel van de gezondheid van mensen. Omvat tevens de levering van genees- en hulpmiddelen en van ondersteunende diensten. Bron: CBS
Beleids- en beheersorganisaties: Omvat de uitvoeringskosten van zorgverzekeraars en overheid, en de uitgaven aan overkoepelende organen en fondsen op het terrein van de zorg. Bron: CBS
We hebben de welzijns- en gezondheidszorg uitgesplitst naar de belangrijkste uitgavenposten. Op deze manier wordt in grote lijnen duidelijk naar welke typen zorg het meeste geld gaat.
Medisch- specialistische zorg: Verstrekkers van medisch- specialistische zorg. Instellingen en praktijken, waarin gedurende dag en/of nacht alle vormen van medisch- specialistische hulp kunnen plaatsvinden. Bron: CBS
GGZ: Psychiatrische ziekenhuizen, vrijgevestigde psychiaters en ambulante geestelijke gezondheidszorg. Deze instellingen bieden behandeling en begeleiding van mensen met psychiatrische stoornissen en psychische problemen. Bron: CBS
Geneesmiddelen: Levering van genees- en verbandmiddelen door o.a. apotheken en apotheekhoudende huisartsen en drogisten. Bron: CBS
Zorgpraktijken: Huisartsen, tandartsen en paramedische praktijken (oa fysiotherapeuten). Bron: CBS
Ouderenzorg: Instellingen voor verpleging en behandeling van patiënten die niet in een ziekenhuis behandeld hoeven te worden, of waarin duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft of die activiteiten uitoefenen op het gebied van gezinsverzorging, thuiszorg en kraamzorg. Bron: CBS
Gehandicaptenzorg: Instellingen voor lichamelijk en of geestelijk gehandicapten. Omvat tevens de voorzieningen op grond van de Wet Voorzieningen Gehandicapten en MEE- organisaties. Bron: CBS
AWBZ: Wettelijke sociale verzekering die tot doel heeft om de hele bevolking te verzekeren tegen het risico van bijzondere ziektekosten. Het gaat om zware geneeskundige risico’s die niet via het ziekenfonds of de normale ziektekostenverzekering verzekerd zijn. Ook voorzieningen van de preventieve gezondheidszorg vallen hieronder. Bron: CBS
ZVW: Wet die een verplichte basisverzekering regelt voor kortdurende, op genezing gerichte zorg voor iedereen die rechtmatig in Nederland woont of hier loon- of inkomstenbelasting betaalt. Deze wet is op 1 januari 2006 in werking getreden en vervangt o.a. de Ziekenfondswet (ZFW).
Bron: CBS
De vorige graphics geven een beeld van de totale uitgaven aan zorg in Nederland. Deze graphic brengt in beeld hoe de Nederlander (van 18+) de zorg betaalt. Voor deze graphic hebben we ons gebaseerd op een rapport van het ministerie van VWS. De berekeningen achter de in dit rapport gepresenteerde cijfers zijn niet openbaar.
Voor een goed begrip van deze graphic een aantal aanvullende opmerkingen:
Bij het berekenen van de gemiddelde betalingen aan zorg is alleen gekeken naar de collectief gefinancierde zorg. Dat is het bedrag waarover de minister rapporteert in het financieel beeld zorg.
De cijfers in deze graphic zijn berekend door uit te gaan van een totaal aan collectief gefinancierde zorg van € 67 miljard, verdeeld over 13,2 miljoen Nederlanders (18+).
De graphics waarin wordt ingegaan op de uitgaven aan gezondheidszorg en welzijnszorg zijn gebaseerd op de uitgaven zoals gepresenteerd in de Zorgrekeningen.
De berekening van de uitgaven aan zorg per hoofd van de bevolking is gemaakt door het totaal van € 90 miljard te delen door de totale bevolking (16.7 miljoen mensen).
Het is een welbekende bewering: ‘Nederland dankt zijn welvaart aan het buitenland’. Met het thema Nederland Internationaal willen we laten zien in hoeverre dat waar is. Hoeveel handelt Nederland, met wie en verdienen we er ook iets aan? Hieruit blijkt onder andere dat de Europese Unie het belangrijkste afzetgebied is voor Nederland. De afdrachten aan de Europese Unie zijn echter niet onomstreden, daarom laten we zien hoeveel Nederland afdraagt en vergelijken dit met andere landen. Een ander relevant onderwerp in het debat over de positie van Nederland in de wereld is immigratie. Daarom laten we de top 5 immigranten naar herkomst zien en vergelijken deze met 2001 en 2006. Naast immigratie naar vindt er jaarlijks ook emigratie uit Nederland plaats. Het migratiesaldo maken we daarom ook inzichtelijk.
We laten de totale invoer en uitvoer over 2011 zien, omdat dit een beeld geeft over de totale Nederlandse handel.
Goederen: Tastbare producten, zoals voedingsmiddelen, duurzame consumptieartikelen, machines en dergelijke. Bron: CBS
Diensten: Diensten zijn producten die niet tastbaar zijn, bijvoorbeeld vervoersdiensten, zakelijke diensten en persoonlijke, culturele en recreatieve diensten. Bron: CBS
Naar welke landen voert Nederland goederen en diensten uit?. Dat laten we in deze graphic gezien. We hebben de handelszones opgedeeld naar ‘eurozone’, ‘EU maar geen eurozone’ en ‘de rest van de wereld’, omdat het voor debat over Europa relevant is om te weten of er wordt gehandeld met een euroland, een EU-land of een land uit een ander deel van de wereld.
We hebben hier goederen en diensten bij elkaar opgeteld, omdat we dan een overzichtelijker beeld kunnen geven. De uitvoer van goederen en diensten worden echter niet op dezelfde manier berekend dus theoretisch kan het zo zijn dat er afwijkingen in het totaal zitten. Er is echter geen andere manier om het totaal te berekenen. In deze graphic gaat is het doel ook niet om de exacte totale omvang in kaart te brengen, maar om inzichtelijk te maken naar welke handelszones we uitvoeren.
Eurozone: De EU eurozone bestaat uit de volgende landen met tussen haakjes het jaar van toetreding: België (1999), Duitsland (1999), Finland (1999), Frankrijk (1999), Griekenland (2001), Ierland (1999), Italië (1999), Luxemburg (1999), Nederland (1999), Oostenrijk (1999), Portugal(1999), Spanje (1999), (1999) Slovenië (2007), Malta (2008), Cyprus (2008), Slowakije (2009) en Estland (2011). Bron: CBS
EU niet Eurozone: Dit zijn (tussen haakjes jaar van toetreding): Bulgarije (2007), Denemarken (1973), Frankrijk (1958), Hongarije (2004), Letland (2004), Litouwen (2004), Polen (2004), Roemenië (2007), Tsjechië (2004), Verenigd Koninkrijk (1973)en Zweden (1995). Bron: CBS
In 2011 voerde Nederland voor 500 miljard euro aan goederen en diensten uit. Het is echter niet zo dat Nederland ook voor 500 miljard euro verdiende aan de export in dat jaar. Hoe dat komt leggen we in deze grafiek uit. Veel goederen komen uit het buitenland Nederland binnen en worden na een (kleine) bewerking weer uitgevoerd. Stel dat er een auto ter waarde van 1000 euro Nederland binnenkomt en na een kleine bewerking voor 1050 euro wordt uitgevoerd dan is de uitvoerwaarde 1050 euro, maar heeft Nederland er niet aan 1050 euro aan verdiend, maar 50 euro. Dit wordt wederuitvoer genoemd. Inkopen uit het buitenland zitten niet enkel in de wederuitvoer. Ook de uitvoer van Nederlandse producten heeft er mee te maken. Een Nederlandse fietsenfabriek haalt bijvoorbeeld fietsonderdelen uit andere landen, asssembleert deze tot een fiets en exporteert deze fiets vervolgens. Zie ook CBS - In de export verwerkte producten uit het buitenland
We beginnen met een beeld van de totale uitvoer ingedeeld naar goederen eigen makelij, diensten eigen makelij en wederuitvoer. Het CBS en CPB hebben vervolgens berekend welk deel van die totale uitvoer daadwerkelijk waarde toevoegt aan ons BBP. Deze bedragen laten we vervolgens zien als percentage van ons bbp en weer ingedeeld naar goederen, diensten en wederuitvoer. Op deze manier wordt duidelijk dat de exportwaarde van de wederuitvoer fors is gestegen, maar dat het aandeel in het bbp slechts is gegroeid van 1 tot 2 procent. Verder wordt duidelijk dat de wederuitvoer per euro uitvoer veel minder aan het bbp toevoegt dan de goederen en diensten van eigen makelij. Wel moet opgemerkt worden dat 2009 een opvallend jaar was, omdat in dat jaar de wereldhandel een zware tijd doormaakte. De wereldhandel kromp in 2009 veel harder dan het bbp..
Achter deze cijfers gaan ingewikkelde berekeningen schuil. De cijfers zijn niet afkomstig uit Statline, maar uit maatwerktabellen van het CBS en CPB.
Wederuitvoer: De goederen die via Nederland verder vervoerd worden en daarbij (tijdelijk) eigendom zijn van een ingezetene, zonder dat significant industriële bewerking plaatsvindt.
Wederuitvoer betreft onder andere goederen die door Nederlandse distributiecentra worden ingeklaard en uitgeleverd aan andere (Europese) landen. De wederuitvoer maakt, anders dan de quasidoorvoer, wel deel uit van de invoer en de uitvoer zoals deze door het CBS zelf op StatLine gepubliceerd worden. Voor Eurostat (het centrale statistiekbureau van Europa) wordt ook quasidoorvoer meegeteld. Hierbij gaat het ook om goederen die door Nederland vervoerd worden en waarop geen significante industriële bewerking plaatsvindt, maar die een niet- Nederlands eigenaar hebben. Bron: CBS
Nu we hebben gezien wat Nederland verdient aan de export brengen we in beeld welke sectoren het meest afhankelijk zijn van de export. Iedere sector draagt voor een bepaald bedrag (en percentage) bij aan het BBP. We laten zien welk deel van dit bedrag wordt verdiend dankzij de export.
Omdat niet elke sector even groot is zetten we bij iedere sector wat het totale aandeel in het bbp is.
Een terugkerend onderwerp in het debat over de EU zijn de afdrachten aan de begroting van de Europese Unie.
Nederland betaalt niet alleen Europa, maar ontvangt ook geld in de vorm van subsidies. De afdrachten – ontvangsten vormen de nettopositie van een land.
Er zijn verschillende manieren om de nettopositie van een land te berekenen. Naast afdrachten draagt Nederland ook douanerechten af aan de EU. Deze douanerechten worden betaald omdat goederen via Nederland de Europese Unie binnenkomen. De douanerechten zijn dus bestemd voor de EU, maar komen bij de EU via Nederland. Wij kiezen ervoor om de douanerechten (van alle EU landen) hier niet tot de afdrachten te rekenen. Hetzelfde principe gaat op voor ontvangsten, bijna alle landen krijgen geld van de EU om instellingen van de EU te financieren. Meest aansprekende voorbeeld is België dat veel geld ontvangt om de instellingen in Brussel te financieren. Deze bedragen bestemd voor instellingen rekenen wij niet tot de ontvangsten.
Om te laten zien of er nu meer mensen het land binnenkomen of uitgaan laten we het migratiesaldo zien.
Migratiesaldo: Personen die zich in Nederland vestigen min inwoners die Nederland verlaten om zich buiten Nederland te vestigen. Bron: CBS
We laten de top vijf immigranten naar herkomst zien, om te laten zien waar de grootste groepen immigranten vandaan komen en om te laten zien of de herkomstlanden in vergelijking met 2001 en 2006 zijn veranderd.
Immigratie: Vestiging van personen vanuit het buitenland in Nederland. Om als immigrant te kunnen worden geteld dienen deze personen ingeschreven te worden in de gemeentelijke bevolkingsregisters. Men wordt ingeschreven als men verwacht minimaal vier maanden Nederland te blijven. Bron: CBS
De kranten staan dagelijks vol met berichten over de crisis. Maar wat betekent de ‘crisis’ voor onze economie. In dit deel laten we de ontwikkeling van een aantal kernindicatoren van de Nederlandse economie zien. Het betreft nadrukkelijk een selectie van indicatoren, voor een volledig beeld van de conjunctuur verwijzen wij de lezer naar het conjunctuurbericht van het CBS. (http://www.cbs.nl/conjunctuurbericht)
We laten de ontwikkeling van het bbp zien, omdat dit een indicatie geeft van wat Nederland bij elkaar produceert. We kijken naar het faillissementen en werkloosheid, omdat hieruit duidelijk wordt of er werk is. We laten het consumenten- en producentenvertrouwen zien, omdat dit een indicatie geeft van hoe de economie zich zal ontwikkelen. Zijn consumenten bereid te consumeren en producenten bereid te investeren? Waar mogelijk vergelijken we deze indicatoren met andere landen. Na deze meer macro-economisch georiënteerde indicatoren zoomen we in op het niveau van huishoudens. We beginnen met de ontwikkeling van het beschikbaar inkomen, hieruit wordt duidelijk of huishoudens meer of minder te besteden hebben. Ook kijken we naar het doorsnee vermogen van een huishouden, is dit gestegen of gedaald? Vervolgens kijken we naar de woningmarkt, hoe ontwikkelingen de eigen huis waarde en hypotheekschuld zich.
Het bruto binnenlands product (bbp) geeft aan wat Nederland produceert. Dit bedrag geeft dus een indicatie van hoeveel we verdienen. De ontwikkeling van het BBP is de meest gebruikte maatstaf voor economische groei. Het BBP kent wel enkele kanttekeningen, zo zegt het bijvoorbeeld niets over de verdeling van de het verdiende geld.
In deze graphic laten we het bbp op prijsniveau van 2005 zien. Op deze manier is de ontwikkeling het best te duiden, omdat inflatie al is verwerkt in eventuele stijgingen en dalingen.
Bbp: Het bruto binnenlands product (bbp) is het eindresultaat van de productieve activiteiten van de ingezeten productie-eenheden. Bron: CBS
We laten de top vijf bbp per hoofd van de bevolking zien, omdat hieruit duidelijk wordt welke landen binnen de EU het hoogste bbp per hoofd van de bevolking hebben. Ter illustratie laten we ook het land zien met het laagste bbp per hoofd van de bevolking.
In de internationale vergelijking is het bbp weergeven in ‘pps’ (purchasing power standard), dit is een fictieve eenheid die door Eurostat wordt gebruikt en waarin koopkrachtverschillen zijn verwerkt. Op deze manier kunnen verschillende landen het best met elkaar worden vergeleken
PPS: The purchasing power standard, abbreviated as PPS, is an artificial currency unit. Theoretically, one PPS can buy the same amount of goods and services in each country. Bron: Eurostat
We laten deze graphic zien om te achterhalen wat er op de arbeidsmarkt gebeurt sinds het uitbreken van de crisis. Dit doen we door te kijken naar het de ontwikkeling van het aantal werklozen. Het effect van de crisis op bedrijven bekijken we door te kijken naar het aantal uitgesproken faillissementen.
Werkloosheidspercentage (seizoensgecorrigeerd): De werkloze beroepsbevolking als percentage van de beroepsbevolking.
Seizoengecorrigeerd wil zeggen dat de maandcijfers geschoond zijn voor een jaarlijks terugkerend patroon van verschillen die normaal voor de tijd van het jaar zijn. Bron: CBS
De werkloze beroepsbevolking: Personen (15 tot 65 jaar) zonder werk, of die met werk voor minder dan twaalf uur per week, die op zoek zijn naar betaald werk voor twaalf uur of meer per week en die daarvoor direct beschikbaar zijn. Bron: CBS
Faillissementen: Uitgesproken faillissementen betreffende juridische eenheden met uitzondering van natuurlijke personen zonder eenmanszaak. Bron: CBS
De internationale vergelijking is gemaakt op basis van Eurostat gegevens. Eurostat hanteert de internationale definitie voor werkloosheid. Deze wijkt op een aantal punten af van de nationale definitie (o.a. 12 uurs grens en zoek en beschikbaarheidscriteria). Hierdoor wijkt het percentage in de internationale vergelijking af van het percentage in de graphic erboven.
We laten het consumenten- en producentenvertrouwen zien omdat dit iets zegt over de huidige staat van de economie en de te verwachten ontwikkeling van de economie. Hebben consumenten en producenten veel vertrouwen dan zijn ze eerder geneigd geld uit te geven. Maar het is niet zo dat er harde conclusies aan verbonden kunnen worden. Stelt dat het consumentenvertrouwen laag is dan is het geen hard feit dat de economische groei ook laag zal zijn. Het blijft een indicator.
Consumentenvertrouwen: Het consumentenvertrouwen verschaft actuele informatie over consumentenopvattingen met betrekking tot de algemene economische ontwikkeling en de financiële situatie van het eigen huishouden De indicator van het consumentenvertrouwen is opgebouwd uit vijf vragen. De consumenten worden gevraagd naar hun mening over de huidige financiële situatie (refererend aan de afgelopen 12 maanden), de toekomstige financiële situatie, het oordeel over de huidige situatie voor de aankoop van duurzame goederen, de huidige economische situatie (refererend aan de afgelopen 12 maanden) en op de verwachtingen voor de komende 12 maanden. Van iedere vraag wordt het saldo van positieve en negatieve antwoorden in procenten van het totaal aantal antwoorden bepaald. Het consumentenvertrouwen is het rekenkundig gemiddelde van de vijf vragen. Bron: CBS
Producentenvertrouwen: Het producentenvertrouwen is een stemmingsindicator die de richting aan geeft waarin de industriële productie zich naar verwachting zal ontwikkelen. Hoe optimistischer of pessimistischer de ondernemers gestemd zijn, des te meer zal de waarde van het producentenvertrouwen positief of negatief afwijken van de nullijn en des te groter is de verwachting dat de industriële productie in de komende maanden zal toe- of afnemen. Bron: CBS
Wat merken mensen in hun portemonnee eigenlijk van de crisis. Om hier inzicht in te bieden laten de mutaties in beschikbaar inkomen zien. Hieruit wordt duidelijk of mensen meer of minder te besteden hebben.
De ontwikkeling van het doorsnee (mediaan) vermogen van het huishoudens laten we zien, omdat hieruit duidelijk wordt of het vermogen van huishoudens is gestegen of gedaald. Het mediaan vermogen is het bedrag waarvoor geldt dat 50% van de populatie een lager of even groot vermogen(sbestanddeel) heeft.
We laten de doorsnee (mediaan) hypotheekschuld en de eigen woning waarde van huishoudens zien, omdat we hieruit kunnen zien of de verhouding tussen de hypotheekschuld en de woningwaarde is veranderd. De mediaan van de hypotheekschuld en de eigenwoning waarde is het bedrag waarvoor geldt dat 50% van de populatie een lager of even groot vermogen(sbestanddeel) heeft.
We laten de totale hypotheekschuld zien omdat dit een bedrag is dat vaak terugkomt in het debat.
Beschikbaar inkomen: Het inkomen na aftrek van belastingen plus uitkeringen, dat besteed wordt aan consumptie en besparingen. Bron: CBS
Vermogen: Saldo van bezittingen en schulden. Bron: CBS
Mediaan vermogen: Het bedrag waarvoor geldt dat 50% van de populatie een lager of even groot vermogen(sbestanddeel) heeft. Bron: CBS
Hypotheekschuld: Hypotheekschulden in verband met de eigen woning. Dit betreft de stand van de schuld waarover rente is verschuldigd. Opgebouwde tegoeden via kapitaalsverzekeringen zijn niet in mindering gebracht. Bron: CBS